profile picture overlay

Wanneer moet je D, T of DT gebruiken?

Met mijn taalgebruik zit het in principe wel goed, het enige waar ik erg veel moeite heb is D, DT of T.

Ik weet het gewoon niet. Heb het vroeger wel gehad, maar ben het vergeten. Ik weet dat je iets kan doen met het werkwoord “LOPEN” en vroeger hadden ze het op school over “T’KOFSCHIP”. Maar de werking er achter: helemaal vergeten.

Mijn oma zei laatst: “dan moet je het werkwoord loopt gebruiken, dan weet je altijd wat het is!”. Maar nu denk ik: loopt is altijd met een T, dus hoe weet ik dan wanneer het D of DT is?

Het zou fijn zijn als iemand dit goed voor me kan uitleggen.

Gepost op

582 dagen geleden

Login om te antwoorden

Al 3 antwoorden op de vraag
Wanneer moet je D, T of DT gebruiken?

Op school heb ik een heel overzichtelijk spellingsschema gekregen. Ik zal het hieronder even kort uitleggen. Ze werken hier met nummers. Dit ziet er misschien raar uit, maar het werkt super! Een voorbeeld:

Ik (lopen) gisteren over straat.

Om te beginnen ga je bepalen of de zin in de tegenwoordige of de verleden tijd staat. Deze zin staat in de verleden tijd. Nu ga je het schema volgen. Eerst kijken of de zin in enkelvoud of meervoud is. Deze zin is in enkelvoud. Nu ga je kijken of het een sterk werkwoord is. Dit wil zeggen dat je gaat kijken of je het werkwoord ‘lopen’ kan veranderen in ‘liepen’. Ja, dit kan bij dit werkwoord. Het is dus een enkelvoudige zin met een sterk werkwoord. Dit betekend dus dat het regel nummer 6 zal moeten worden. Nu ga je het in de zin zetten: ‘Ik liep gisteren over straat.

Als je er zeker van wilt zijn dat je geen fouten maakt bij spelling, moet je dit schema toepassen. Veel mensen gaan op hun gevoel af, echter laat hun gevoel ze vaak in de steek. Je moet niet raar opkijken als het er vreemd uitziet, dit is nou eenmaal de Nederlandse taal. Volg dit schema, en het gaat je zeker lukken!

Tegenwoordige tijd?

1. De ‘ik’ vorm, je gebruikt de stam.

2. De ‘jij’ vorm, je gebruikt de stam + t

3.Hele werkwoord, je gebruikt gewoon het hele werkwoord

Verleden tijd?

4. Enkelvoud, je gebruikt de stam + de/te

5. Meervoud, je gebruikt de stam +den/tenEnkelvoud,

6. Enkelvoud, je vervoegd het werkwoord in het  enkelvoud

7. Meervoud, je vervoegd het werkwoord in het meervoud

8. Bijvoeglijk naamwoord, het zegt iets over het zelfstandig naamwoord

9.Voltooid deelwoord, denk aan t’kofschip. Staat de laatste letter hierin, schrijf dan een -t- op het einde.

10. Hele werkwoord

Gepost op

316 dagen geleden

100%

Rating

0

Neem eerst het hele werkwoord……lopen en haal de -en- eraf om de stam te krijgen….loop.  

Ik loop…..bij ik komt er niets achter, dus geen -t-.

Hij loopt, zij loopt, het loopt, iets loopt, alles loopt, niet loopt , jij loopt enz. Overal is het dus stam +t alleen niet bij -ik-.

Maar;….wanneer achter de stam het woordje -je-  staat én je kunt het in -jij- veranderen heb je net als bij -ik- alleen de stam…..loop je of loop jij!  ’Wat loop je (jij) hard’!

Sraat er nu achter het werkwoord – je broer- (staat er wel eens hoewel het eigenlijk -jouw- moet zijn), dan komt er wel een -t- achter….’loopt je broer daar’?

Er komt dus nooit een -dt- achter de stam! De -d- staat  dan al in de stam van het werkwoord zelf ……redden en de stam is red…. ik red de drenkeling en red je (jij) de drenkeling….. en hij redt, zij redt, jij redt, iets redt enz. 

Met het kofschip heb je alleen te maken als het een voltooid deelwoord betreft. ( heb gehad, ben gelopen, wordt gezien, heb gehandeld, is ontdekt enz.)  het voltooide deelwoord is het werkwoord met -ge- ervoor. Neem eens het woord ‘ontdekken’…de stam is -ontdek= en de laatste letter is de -k-. Zit deze letter in het woord -kofschip- dan komt er achter get voltooide deelwoord altijd en -t- en wordt het dus ontdekt, omdat ontdek een -k- op het eind heeft. 

Gepost op

316 dagen geleden

60%

Rating

0

profile picture overlay

Het gebruik van -d, -dt of -t is inderdaad lastig. In principe gelden hier de regels voor de tegenwoordige tijd. 
Je oma heeft een handig hulpmiddel gegeven, het werkwoord ‘lopen’. Hier eindigt de stam altijd op een -p, namelijk ‘Ik loop’. Dan heb je niet te maken met de vervelende -d op het eind.
Stel je wilt het werkwoord ‘vinden’ vervoegen. De stam van dit werkwoord is: Ik vind. 
Omdat de stam van dit werkwoord eindigt op -d kan je niet horen of het met een -d of -dt moet worden geschreven. Dat maakt het zo lastig.
In de volgende zin wil je weten of het -d of -dt is:
Piet vind.. dat hij er goed uit ziet.
De vraag is: is dit met stam + t of niet? Het antwoord is ja, hieronder volgt de uitleg.
Gebruik in dit geval het werkwoord lopen: Piet loopt dat hij er goed uit ziet. Dat is met -t. Vindt is daarom ook: stam + t.
Je gebruikt lopen om te ‘horen’ of er een -t wordt gebruikt, zo ja, dan zet je die achter het werkwoord waar je het niet kunt horen. 
Als je te maken hebt met voltooid deelwoorden, bijvoorbeeld ‘Hij heeft GEWERKT’, kun je ‘t Kofschip of ‘t fokschaap gebruiken. Maar dit is weer een andere tak van vervoegen.

Gepost op

559 dagen geleden

40%

Rating

0